zaterdag 12 maart 2011

Bruggen(bouwers)

Tijdens de reizen heb ik gebruik gemaakt van allerlei “vervoermiddelen”: terreinwagens, zware bromfietsen, fietsen, prauwen, benenwagen, achter op de rug van iemand wadend door een rivier…. In de Mombesa is het niet meer mogelijk om met een terreinwagen van de ene naar de andere plaats te rijden. De wegen zijn overwoekerd door het oerwoud en er rest alleen een smal pad, soms net één voetganger breed. Maar de belangrijkste reden dat een tocht met een terreinwagen onmogelijk is, is de conditie van de bruggen. Tot nu toe heb ik altijd in een droog seizoen in het gebied gereisd, maar ook dan was het bijna onmogelijk om me te verplaatsen: kapotte bruggen. In het natte seizoen staan grote delen van het oerwoud onder water. De bruggen uit de koloniale tijd en de tijd dat Unilever in het gebied actief was, zijn verdwenen. Het metaal heeft de tand des tijds niet doorstaan of is al lang voor een ander doel ingezet. Hier en daar ontwaar ik nog een restje nog net niet doorgeroest metaal. De huidige bruggen bestaan uit boomstammen of bamboe. Bruggen van planken zijn zeldzaam, omdat er geen zagen zijn om van boomstammen planken te maken. De bruggen worden “onderhouden” door de plaatselijke bevolking. Ik heb nog nooit iemand van de overheid gezien die zich zichtbaar het lot van de bruggen aantrok en reparaties uitvoerde.
Uit mijn dagboek: (4 januari 2011, Mombeka) Ik zit op het bed van de chief de groupement in Mombeka. De chief heeft drie vrouwen en ik weet niet of hij ze om beurten in dit bed ontvangt, maar de gedachte alleen al voorspelt weinig nachtrust. We zijn vandaag vanuit Yamomdombe naar Mombeka gereisd. Een heel zanderig pad en A. en de chauffeur van Okke hadden veel moeite om de zware bromfietsen op het pad te houden. In een bocht hield A. het niet meer en belandden we in de struiken. Ik hield A. stevig vast en kon achterop nog net mijn evenwicht houden. De hoeveelheid rivieren en riviertjes die we hebben gekruist was niet te tellen. Tientallen keren zijn we afgestapt en moesten we de brommer over een wiebelige houten boomstam duwen. Okke moest nog veel vaker van de bromfiets af, omdat zijn chauffeur bergop en bergaf het zandpad te gevaarlijk vond en ook heel wat bruggetjes alleen lopend durfde te passeren. We kruisten twee grote rivieren. De eerste bij de grens van Equateur hebben we volledig doorwaad. De tweede rivier hebben we deels doorwaad en voor het tweede deel van de overtocht werden de bromfietsen in prauwen gezet en zo naar de overkant gebracht. Het eerste deel droegen vijf jongens uit de buurt de bromfietsen over het water. Ze kregen van A. 2500 cfr en één van hen vroeg ons “natuurlijk” meer. Ons vaste antwoord is: “overleg maar met A.”. Eigenlijk blijft het daar dan altijd bij. Och, ik snap het wel. We zijn een bron van inkomsten. Voor het vertrek hadden we de bananen die we hadden gekregen in een vuilniszak (meegebracht uit Nederland) gedaan. Antoine keek zijn ogen uit (naar de zak) en ik heb hem onze laatste vuilniszak gegeven. A. vertelde dat in Kisangani mannen altijd een plastic zak in hun portefeuille meedragen: "on sait jamait". Het kan toch niet zo zijn dat iemand je wat wil meegeven, maar dat dat niet kan omdat hij geen plastic zak heeft... De bananen hebben de reis niet overleefd. Francois had de zak met rubberen banden wat al te stevig vastgesjord op zijn fiets: het is “compost” geworden. Wellicht zijn er nog een paar onrijpe over… Stilletjes ben ik blij dat ik er gisteren volop van heb gesnoept.”

Reizen van de ene plaats naar de andere lijkt op het overwinnen van een grote “gatenkaas”. Het is zeer onvoorspelbaar wat je aantreft en het vraagt veel improvisatie om de overkant te halen. Wat zou het leven er in de Mombesa anders uitzien wanneer de bewoners zich snel zouden kunnen verplaatsen en hun gewassen van het land en andere goederen makkelijk naar de markt konden brengen. Wanneer ontstaat  binnen de gemeenschap het gevoel van noodzaak om gezamenlijk hiervoor een brug te bouwen? ©

zondag 27 februari 2011

Wat een plezier!

In Mombongo is in  november 2010 met de financiële ondersteuning van Bondeko de eerste klas van de kindergarten gestart. Ze krijgen nu nog les in het kerkgebouw, maar voor de zomer nog is het gebouw zo ver klaar dat één klaslokaal, kantoor en opslagruimte in gebruik genomen kunnen worden. Het is een openbare en officiële kleuterschool voor kinderen van 3,5 tot 6 jaar. In de Mombesa is het gebruikelijk dat kinderen pas vanaf 6 jaar naar school gaan. Dat geldt zeker niet voor alle kinderen en slechts een handvol redt het tot in de zesde klas en het staatexamen dat recht geeft op een vervolgopleiding. Ik ben in 2009 in basisscholen geweest waar in de zesde klas maar 8 leerlingen zaten, terwijl ze met 70 in de eerste klas waren begonnen. Verzuim is voor ouders en leerlingen geen thema. Wanneer het rupsentijd is worden rupsen gezocht en eten is belangrijker dan lessen volgen. Meisjes maken zelden de basisschool af en pygmeeënkinderen gaan sowieso bijna nooit naar een school van de Bantoes. De pygmeeën voelen zich als eenling niet thuis op een Bantoeschool en kunnen ook het schoolgeld niet betalen. In een enkel pygmeeënkamp is een aparte basisschool. Uit mijn dagboek (Mpete, 5 januari 2011): “Vanochtend stond een tiental kinderen in rijen opgesteld voor de basisschool het volkslied te zingen. Een oud stuk rails diende als schoolbel. Hoe ze daar aan komen? Ze marcheerden door het kamp. Alsof deze kinderen gebrek hebben aan lichaamsbeweging…”. De landelijke overheid heeft voor dit schooljaar besloten dat voor de eerste drie leerjaren geen schoolgeld betaald hoeft te worden. De ouders moeten wel nog een extra bijdrage (in geld of goederen) aan de leraren betalen. De leraren krijgen slechts een heel karig salaris dat op deze wijze wordt aangevuld...

In de kleuterschool leren de kinderen de beginselen van de Franse taal en op sociaal en cognitief vlak wordt een goede basis gelegd voor verder leren op de basisschool. Moeders hebben meer hun handen vrij om op de markt waren te verkopen of voedsel te koken en de meisjes hoeven tijdens schooltijd niet meer op te passen op hun jongere broertjes of zusjes. Het loopt storm in de kleuterschool in Mombongo. Er zitten al 43 kinderen in de klas en er zijn nog veel meer aanmeldingen. A. vertelde dat hij bij de kinderen na twee maanden al duidelijk verschil ervaart. Ze kennen hun eigen naam en begroeten hem door het geven van een hand. Uit mijn dagboek (Mombongo, 25 december 2011): “Het is heel spannend om naar ons toe te komen. Een paar kinderen overwinnen hun angst. Ze geven een hand en stellen zich voor. Daarna sprinten ze, zichtbaar opgelucht en giebelend, snel naar hun vriendjes: “ik heb het gedurfd!”, hoor ik ze roepen.”

Op 11 januari 2011 hebben Okke en ik een ochtend doorgebracht in de kindergarten. Het was heerlijk om de enthousiaste lerares aan het werk te zien. Ze leerde de kinderen met behulp van een meegenomen banaan een paar woorden Frans: je mange une banane. Buitenspelen gebeurde door de 43 kinderen met welgeteld één bal. Maar het plezier is enorm! Uit mijn dagboek (Mombongo, 11 januari 2011): “A. haalt uit een grote kist het spelmateriaal. Ik schrik er van. In mijn ogen is het een grote zooi: twee duploblokjes, een half popje, drie legoblokjes, een plastic beestje etc. Incompleet, te weinig om daadwerkelijk mee te bouwen…. De kinderen kennen helemaal geen speelgoed. Zij spelen met alles in en rond het huis: zand, takjes, machete. A. vertelt dat hij alleen dozen speelgoed kan kopen in Kisangani: tweede?hands, ongesorteerd en incompleet. Ik vind het geen goede zaak om spullen in te voeren in Congo. Het transport is veel te duur en daarnaast steun ik liever de economie van Congo. Maar in dit geval lijkt er niets anders op te zitten. Dit moet anders! Ik droom van een kindergarten met houten blokken en een Afrikaans “keukentje” met potten en pannen op het houtvuur…”. ©

zondag 20 februari 2011

De kracht van vrouwen

Vrouwen vormen het hart van de gemeenschap. Ze bestieren het “huishouden” en dat is in Congo geen sinecure: velden onderhouden, stookhout en water halen, maniok verwerken, eten koken, kinderen verzorgen en opvoeden, waren klaar maken en verkopen op de markt… Ze zijn voortdurend in de weer en wanneer nodig tot diep in de nacht.

Uit mijn dagboek van 7 januari 2011: “Tot drie uur vannacht was het zingen van de vrouwen te horen. De maniok heeft vier dagen in rivierwater gelegen om te ontgiften (cyanide) en werd gestampt en in bladeren gerold. Deze rollen worden dan nog minimaal drie uur gekookt om alle microben te doden en dan pas is de chikwanga klaar. De oude(re) vrouwen hebben soms een tatoeage in hun gezicht. A. vertelde dat over de achtergrond de meningen sterk uiteen lopen. Eén verhaal is dat dit gebruik is ontstaan in de slaventijd. Vrouwen werden op deze wijze minder interessant en waardevol voor slavenhandelaren. Bij jongere vrouwen heb ik het nog nooit gezien.” Wat mannen doen? Velden aanleggen, vissen, jagen… en rond hangen en zitten. Ik zie wel dat er wat verandert: jongere mannen hebben ook wel eens een kind op schoot… Vrouwen hebben een enorme kracht. Letterlijk en figuurlijk verzetten ze bergen, omdat ze willen dat hun kinderen het beter krijgen. Mijn ervaring is dat wanneer vrouwen samen echt iets voor elkaar willen krijgen, dat meestal ook lukt.
In mei 2009 ontmoette ik in Mombongo een vrouw die heel erg graag alfabetisering wilde starten. We noemden haar de “vrouw met de skimuts”. De mussen vielen van het dak, maar zij had haar gebreide muts op… Zij zelf kon lezen en schrijven en ze heeft een administratieve functie in overheidsdienst. Ze sprak met name de jonge vrouwen aan en het was haar gelukt om deze te mobiliseren. Vrouwen die hun toekomst, hun leven (meer) zelf in handen wilden nemen en hadden ontdekt dat leren lezen en schrijven het begin daarvan kan zijn. De “vrouw met de skimuts” belegde een vergadering met deze vooral jongere vrouwen. De groep vrouwen verenigd in de Mama Mboto (vertaling: vrouwen van de vrede) en vooral de voorzitter, begon een tegenoffensief. De voorzitter zorgde er voor dat ze op hetzelfde moment een vergadering plande, waardoor de vrouwen moesten kiezen tussen de twee bijeenkomsten. Uiteindelijk heeft de “vrouw met de skimuts” het opgegeven. Jammer voor nu, maar er komt een moment dat het haar of een andere vrouw wel lukt. De filosofie van Bondeko is dat initiatieven (financieel) ondersteund worden wanneer de gemeenschap heeft aangetoond er voor te willen gaan.

Er gebeuren kleine wonderen in de Mombesa. Op twee na alle vrouwen van Bondamba kunnen inmiddels lezen en schrijven. De twee vrouwen die niet wilden of durfden mee te doen aan het alfabetiseringsproject (van Bondeko) hebben er inmiddels spijt van. In januari 2011 waren we in Yakate. Een van de vrouwen van Bondamba is daar met haar gezin naar toe verhuisd. Ze heeft subiet een groep vrouwen om haar heen verzameld en is in de basisschool een naaiatelier gestart. Bondeko gaat deze vrouwen nu helpen bij de bouw van een hut die gebruikt zal worden als naaiatelier en als alfabetiseringscentrum. In Jamombelemu is het alfabetiseringscentrum bijna klaar en nemen, naast 28 vrouwen, sinds kort 17 mannen deel aan het eerste leerjaar van de alfabetisering. De eerste mannen! ©

zondag 13 februari 2011

Kleine Henriëtte

Wanneer we op onze reizen pygmeeën bezoeken nemen we altijd in Bondamba gemaakt zeep, zout en medicijnen mee. Soms ook gebruiksmaterialen zoals scheppen en machetes om land te bewerken. Pygmeeën zijn van oudsher nomaden, maar moeten zich door de houtkap en de klimatologische veranderingen steeds vaker vestigen in kampen. Ze kunnen niet meer van het oerwoud alleen leven. In een kamp  proberen ze een veldje aan te leggen en maniok te verbouwen. Ze hebben geen geld, waardoor ze geen gebruik kunnen maken van de overheidsziekenhuisjes die in abominabele toestand verkeren en waar de corruptie vaak welig tiert. Een positieve wending is dat de overheid vorig jaar elke familie drie muskietennetten heeft verstrekt en lepra en TBC gratis worden behandeld.
In het kamp Mpete was een moeder die waarschijnlijk TBC heeft, maar we konden haar niet bewegen om naar een ziekenhuis te gaan. De pygmeeën  zijn bang voor de Bantoebevolking en dat is begrijpelijk gezien hun ervaringen. Pygmeeënkamp Melanga 31 december 2010, uit mijn dagboek: “A. is al twee uur medicijnen aan het uitdelen: vooral middelen tegen wormen, pijnstillers, antibiotica, multivitamine. Er lijkt geen einde te komen aan de rij vrouwen en kinderen. Voor elke patiënt is er aandacht en het kost heel wat moeite om hun uit te leggen wanneer ze welke medicijnen moeten innemen en hoeveel. Okke heeft bedacht dat drie keer per dag gelijk staat aan: wanneer ze opstaan, wanneer de zon het hoogste staat en voor het slapen gaan. Ik vouw in twee maten papieren zakjes van een oude agenda. In deze puntzakjes worden de medicijnen meegegeven.”
Sinds 2005 proberen we op kleine schaal in een aantal kampen de gezondheidssituatie te verbeteren. Uit mijn dagboek 12 juli 2005: “Zowel in Loinzi als Likolo kwamen direct na onze aankomst pygmeeën met kinderen naar A. toe. Eén voor één werden ze geholpen. Hij is dan wel geen arts, maar alles is beter dan niets. De kinderen hebben heel dikke buiken en vreselijke wonden aan voeten en benen.” In 2009 en 2010-2011 lijkt de situatie te zijn verbeterd.


Kleine Henriëtte

Wanneer noodzakelijk, worden de pygmeeën verwezen naar Bondamba. Op 8 januari 2011 gebeurde het volgende. Uit mijn dagboek: “Vanochtend kwam een pygmeeënmoeder met vier kleine kinderen naar de missiepost. Ze had al een maand diarree en malaria-aanvallen. Ze kreeg medicijnen voor haarzelf en de kinderen en wat zout, geitenvlees en rijst. Een dochter ongeveer drie jaar, Henriëtte heet ze, zei: “nu hoef ik vandaag geen potapot (maniok) met zout te eten!” Een omstander zei daarop dat ze dank je wel moest zeggen. Kleine Henriëtte zei in het Lingala: “God bless you.” Toen A. vanmiddag dit verhaal vertelde legde hij een hand op zijn hart en zijn ogen schoten vol tranen. “Ik doe wat ik kan”, zei hij, “maar dat is niet genoeg...” ©