Tussen 1999 en 2022 reisde ik acht keer vanuit Kisangani honderden kilometers diep het binnenland in. In een prauw over de rivier Congo, achter op een motor, op de mountainbike en te voet. Het pad volgend van dorp naar dorp en diep het oerwoud in naar pygmeeënkampen. Ruiken, proeven en voelen. Veel vragen stellen en luisteren en geen antwoorden hebben. Opdat ze niet vergeten worden… Op 6 december 2022 reizen we er weer naar toe.
zondag 20 maart 2016
Een rivier verlegt grenzen 2
zondag 7 februari 2016
Een rivier verlegt grenzen
![]() |
| Weer een roadblock |
Het is een dag reizen, 325 kilometer, naar Kisangani. Onderweg hebben zeker acht roadblocks van politieagenten en militairen
onze reis nog verder opgehouden. Bij een van de roadblocks werd in de laadruimte van de bus ‘verdacht vlees’ gevonden. Voor mijn gevoel hebben we zeker een uur onder een boom gestaan, voordat ‘de zaak’ naar tevredenheid (financieel) was afgehandeld. De pakketten met ‘verdacht vlees’ zijn daarna ‘gewoon’ weer ingepakt. Bij de volgende roadblock werd weer door militairen gesommeerd de laadruimte open te maken. De bus stroomde direct leeg. De passagiers gingen stevig in discussie met de militairen. De chauffeur reed tot vlak voor de afzetting en verhoogde de druk ook nog wat.
De brug over de Lindi wordt vervangen en we zijn afhankelijk van een veerboot die niet meer vaart. Het was al te donker toen we de Lindi bereikten. Af en aan gaan nu de lichtjes. Met prauwen worden wel nog voetgangers en motoren overgezet. De passagiers zoeken rustig een slaapplaats in het oerwoud of in de bus. In het blauwe licht van een solarlampje dat aan een paal hangt, zie ik André liggen. Met zijn rug op drie bierkratten. Een moeder wast een baby met een emmer rivierwater. Een paar mannen heeft een zeil neergelegd tegenover de bus. De vrouwen met hun baby’s, ingerold in doeken, kruipen er dicht tegen elkaar aan. Ik hoor de kleintjes de hele nacht niet. Ze nemen het zoals het komt. Ik probeer op twee stoelen voorin de bus te gaan liggen, maar raak mijn benen niet kwijt. Mijn voeten leg ik op de hoofdsteun van de bestuurdersstoel. Mijn rechter bilspier protesteert en ik ga weer verzitten. Het raam rechts van mij staat open en ik hang met mijn hoofd zo ver mogelijk naar buiten. Ik krijg geen adem in deze kleine, benauwde en aardedonkere ruimte. Ik weet dat Okke wat rechts van de bus op een wiebelende plank ligt. Ik zie slechts een schim. Ik word misselijk bij de gedachte dat er geen licht meer zal zijn. Hij is daar en dan is het goed, zo prent ik mezelf in. Ik probeer te slapen. Op het dashboard van de bus is het klokje 13 minuten verder, wanneer ik mijn ogen weer open. Nog elf uur. Ik ben blij wanneer de chauffeur even daarna de sleutel uit het contactslot haalt en het klokje ophoudt te bestaan.
Tussen de benen en voeten van andere passagiers door strompel ik, ‘sorry’ fluisterend, de bus uit. Dat kan nu nog, in het licht van mijn hoofdlamp. Ik loop het pad weer omhoog en ga een paar honderd meter verder alleen het oerwoud in.
In ochtendschemer zondag 24 januari 2016
C’est un miracle!
Ik rij op 26 december op m’n mountainbike van Kumu naar Sombo, de weg richting Soedan. Het is niet meer dan een pad door het oerwoud. Zand wordt afgewisseld met kleine rode steentjes. In beide verlies ik soms de controle over mijn voor- of achterwiel. Ik moet mijn hoofd erbij blijven houden, ook op de relatief vlakke stukken, want er zijn veel diepe richels en allerlei andere onvoorziene obstakels, zoals bruggetjes van boomstammen. Op de korte soms venijnige heuveltjes dans ik op een klein verzet naar boven. Melchior, mijn fietsmaatje stapt dan af. ‘I’m waiting for you’, roep ik. En hij antwoordt: ‘Ok!’ Ik weet dat ik zo lang mogelijk alleen zal doorrijden. M’n hart maakt namelijk vreugdesprongetjes, ondanks of misschien wel dankzij het hobbelige pad, maar zeker wanneer ik in m’n uppie de bewoners van het oerwoud kan begroeten. ‘Mbote! [Goedendag]’,’ Mundele! [Witte]’. Ik zie de verwonderde blikken en ook de blijdschap. Ik kom op mijn fiets naar ze toe en dat voelt goed.
Op 28 december ben ik weer op weg van Kumu naar Sombo, maar nu stoppen we in Banabendea, omdat André daar in een kerkje een H. mis gaat opdragen. Ik heb bij André nog even gecheckt waar het is: bij de vlag en op de plek waar het kindje is geboren. Wanneer ik aankom, staat een grote groep mensen te zingen en te dansen op het ritme van de trommels. Wat een warm welkom! Tientallen mensen geef ik een hand. Handenschuddend word ik naar de payot geleid en moet op de beste stoel plaatsnemen, samen met de notabelen van Bababendea. Nadat ik de twee bananen heb verorberd die ik ’s ochtends in mijn rugzak heb gestopt, wordt direct een tros bananen op de tafel voor me gelegd. We zijn in ‘bananenland’.
De kinderen hangen nieuwsgierig achter me over de
rand van de payot. Met mijn telefoon maak ik een paar foto’s, ook van hen en ze
vinden het geweldig. We zijn bijna aan het einde gekomen van de H. mis, wanneer een vrouw met een baby op de arm en een man naar voren komen. Ik zie dat het de moeder met de baby is die we Tweede Kerstdag in hun hut hebben ontmoet. Op een gegeven moment draait André zich om en zegt: ‘De baby heeft nog geen naam. En omdat jullie de eersten waren die hem hebben gezien, moeten jullie hem een naam geven’. Wat een eer..., maar ook een grote verantwoordelijkheid, denk ik. In Nederland zijn aanstaande ouders wel negen maanden druk met die opgave. Het blijft even stil en ik kijk wat vertwijfeld naar Okke. ‘Naar je vader, Felix’, zegt Okke. Het was in een flits ook door mijn hoofd gegaan… ‘Tsja,… dat zou wel heel mooi zijn’ zeg ik. Ik verzamel moed… ‘Felix, zeg ik tegen André, ‘Naar mijn vader’. André richt zich naar de ouders en zegt ‘Felix, naar de vader van Henriette, die in maart is overleden’. Ik kijk gespannen naar de reactie van de ouders en alle anderen in het kerkje. De vader kijkt me heel blij aan en steekt zijn duim in de lucht. In het kerkje buigen mannen en vrouwen hun hoofd en nemen hun hoofd in hun handen. Eén oude man staat op, werpt huilend z’n armen in de lucht en loopt naar buiten. Ik begrijp er niets van. En André ook niet, zo vertelt hij later. ‘C’est un miracle! C’est un miracle!’ C’est un miracle!’ wordt er geroepen. De vader van de vader van Felix, heette net als mijn vader: Felix! De man die huilend naar buiten liep was opgevoed door de Felix uit Banabendea .
Wanneer ik ’s avonds in de hut in Sombo op bed lig, vertel ik mijn vader in gedachten het verhaal. Ik zie z’n gezicht voor me. Hij glimlacht, zoals hij alleen dat kon, voorzichtig, tevreden…. En ik weet dat het goed is.
dinsdag 15 december 2015
En nu nog inpakken...
Over iets meer dan drie dagen zitten we in het vliegtuig naar Congo. Met de praktische voorbereiding zijn we een heel eind. De paklijst is klaar en meerdere keren herzien en aangepast. In de woonkamer liggen drie grote stapels met spullen, waarmee twee rugzakken en een duffel worden gevuld. In de duffel zitten de 35 WakaWaka solar lampjes, vijf voetballen, 100 ballonnen en onderdelen en gereedschap voor de mountainbike. Die hebben we afgelopen zondag in een fietsdoos gepakt. Voorwiel eruit; zadel en stuur eraf. Met meters plakband hebben we alle randen van de doos 'verzegeld'.
Inmiddels haal ik zo af en toe ook wat van een stapel af: dat gaat toch maar niet mee. Elke gram telt. Zo weinig mogelijk kleren en zo veel mogelijk spullen die we nodig hebben of van pas kunnen komen om risico's zo veel mogelijk te elimineren. Een klamboe, een lakenzak en een matje om op te slapen. Erg belangrijk is een zakje met 'noodspul', met uiteraard duct tape, maar ook lucifers, waxinelichtjes, elastiek, touw en ijzerdraad. Er ligt ook een tropenset met EHBO spullen klaar, inclusief spuiten, naalden, scalpel, hechtdraad en medicijnen. En een dentalkit, zodat we een uitgevallen vulling tijdelijk kunnen vervangen. We zitten dagen reizen van een arts vandaan. En stel dat een arts een injectie zou moeten geven, dan bij voorkeur met gebruik van onze naalden i.v.m. HIV besmetting.
Vorig weekend kregen we een e-mail van André met de vraag of we antiserum zouden kunnen meenemen voor o.a. de de Zwarte Mamba. Het is de langste en snelste slang ter wereld. Een beet is dodelijk wanneer geen antiserum wordt toegediend. Dat wordt echter alleen aan medici verstrekt en we kunnen het dus niet meenemen. Ik heb maar beenkappen gekocht, zodat ik me op de fiets enigszins beschermd voel. Ja, ik weet het, de Zwarte Mamba zal er niet voor terugdeinzen...
Wanneer we de luchthaven in Kisangani naderen zit ik met de neus geplakt tegen het vliegtuigraam. Het oerwoud is als een veld boerenkool met paden van rode leem. De hutjes kan ik bijna aanraken. De pygmeeën in het oerwoud zullen een witte streep aan de hemel zien en tegen hun kinderen vertellen: 'dat is een vliegtuig'. Maar wat is een vliegtuig, als je nooit meer gezien hebt dan een witte streep? Na het landen zal ik na twee treden op de vliegtuigtrap, de geur, de klanken, de warmte, het vocht en zelfs de wind herkennen. 'Dit is Congo!', denk ik dan en ik weet dat ik me dan diep van binnen heel blij voel. Het land waar ik voor de zevende keer mag zijn. Het land dat me uitdaagt om m'n grenzen steeds weer te verleggen. Het land dat me van elke ontdekking op m'n reis laat leren, door anderen en over mezelf.
woensdag 18 november 2015
Hoe is dat, reizen in Congo?
We starten in de hoofdstad Kinshasa. Daar logeren we op de Procure St. Anne van de Witte Paters. Een procure is dat deel van het klooster waar de wereldlijke zaken worden geregeld. De gebruiken laten sterk denken aan het leven in een klooster. In de refter wordt samen gegeten door de paters, broeders en reizigers. Je kunt er overigens heerlijk eten en vooral het fruit uit eigen kloostertuin, is voortreffelijk. Zeker op de terugreis. Ook in Kisangani in het noordoosten, logeren we op een procure. Vanuit die procure wordt de radioverbinding met de posten in het binnenland verzorgd. Er is ook een apotheek, een drukkerij en een enorme kluis. Wanneer je 50 USdollars wisselt in Congolese Francs krijg je zo veel biljetten dat je het in plastic zakken moet meesjouwen...
We overnachten in het dorp of het kamp en soms blijven we een paar dagen op één plek. In elk dorp of kamp is er wel een gezin dat (een deel van) z'n hut vrij maakt. Het laat me denken aan de 'zomergasten' waar ik thuis mee ben opgegroeid. Ook wij verhuisden naar een andere kamer wanneer we 'gasten' hadden.
De hut is van leem en bestaat uit een of meerdere ruimtes, afgescheiden door doeken of deuren. Het dak is van riet met bladeren. Het is er vaak donker. De openingen zijn klein en worden afgesloten met hout of ander materiaal. De gezinnen slapen niet op de grond (i.v.m. slangen e.d.) maar op een bed van hout/bamboe, met daarop een rieten matje. Alles wordt zo veel mogelijk van de grond bewaard, soms in hangende kastjes van bamboe en riet. Meestal is er geen muskietennet, dat hebben wij wel bij ons.
Het 'toilet' en de 'douche' zijn vaak achter de hut te vinden, afgeschermd met grote bladeren. Het toilet is een gat in de grond dat met een blad of plank wordt afgedekt. Dat afdekken is uitermate belangrijk, omdat ziektes zich anders snel verspreiden. In het gat kijken is af te raden... Grote en bijzondere insecten zijn heel actief rond het gat in de grond. Er is geen wc papier.
De douche is een emmer koud water uit de rivier of uit de bron van het dorp of het kamp. Die emmer water is met veel kunst en vliegwerk, soms van kilometers ver, naar je toe gebracht. Daar gaan we dus zuinig mee om. Dat geldt ook voor het drinkwater. We hebben gefilterd drinkwater bij ons, maar wanneer de reis te lang duurt, vertrouwen we voor schoon drinkwater op de kennis van de pygmeeën, die weten
exact welke bronnen ons niet ziek maken. Voor het geval we toch twijfelen, kunnen we met een paar druppels Hadex, de laatste ziektekiemen verwijderen.
Koken gebeurt buiten de hut en vaak is er een gezamenlijke kookplaats van meerdere families. Het vuur brandt de hele dag. Het is een uitdaging om een maaltijd klaar te maken. Op een houtvuur gaat het langzaam en het eten moet lang koken, ook omdat we risico's willen vermijden. Voordat het dier de pan in kan, moet het ook nog worden geslacht. We eten wat er is en vaak vis en kip. zondag 8 november 2015
Reizen in Congo, is dat niet gevaarlijk?
Ik krijg regelmatig de vraag: is dat niet gevaarlijk? Ik reis er voor de zevende keer naar toe. Maar desalniettemin. Ook dan is het goed om stil te staan bij de feiten. Congo (DRC) staat op plaats 8 van de gevaarlijkste landen ter wereld.
Buitenlandse zaken geeft in haar reisadvies voor het gebied waar wij naar toe reizen aan: 'alleen noodzakelijke reizen'.
Het is in Congo de laatste tijd relatief rustig, maar de ervaring leert dat dat van het ene op het andere moment kan omslaan. De verkiezingen die in 2016 gaan plaatsvinden zijn een factor die tot extra onrust kunnen leiden. Het leger en de politie zijn niet te vertrouwen en in het binnenland wordt nog steeds geloofd in kwade geesten en hekserij.
Eerder reisden we vanuit Kisangani per prauw naar het westen over de Congorivier, richting Isangi, Lokutu en Mombongo. En van daaruit naar de pygmeeën in het oerwoud. Dit gebied wordt Mombesa genoemd. André Babusia e-mailde dat de Mombesa door de overheid als gevaarlijk wordt beschouwd en we van de overheid geen toestemming krijgen om het gebied te betreden. Deze reis gaan we naar het noorden. Met een bus naar Buta en van daaruit per motor en mountainbike via Kumu, Sombo en Barisi, in de richting van de grens met de Centraal Afrikaanse Republiek. De Centraal Afrikaanse Republiek staat op plaats 5 van de gevaarlijkste landen ter wereld en de grens oversteken richting Congo is een koud kunstje.
De gezondheidszorg is slecht in Congo. Er zijn hele gebieden waar geen arts te vinden is en medicatie is onvoldoende aanwezig. Een voor onze begrippen simpele ziekte kan in Congo fataal zijn.
Waarom neem je deze risico's?, wordt me soms als vraag gesteld. Ik kan het niet uitleggen..., of beter gezegd, ik kan het wel uitleggen, maar dan zijn feiten minder aan de orde. Ik heb een belofte gedaan in 2005: 'André, ik ga je helpen'. En dat is wat ik met Bondeko en al haar vrienden/donateurs probeer. Daarnaast weet ik en heb ik ervaren, dat ik een aantal risico's iets naar mijn hand kan zetten. Het belangrijkste is dat we samen met André reizen. Hij spreekt de diverse inlandse talen; kent heel veel mensen en de gebruiken. Mijn man en ik zijn samen en ook dat is heel belangrijk. We zorgen er voor dat we mentaal en fysiek fit zijn en zo goed mogelijk voorbereid op wat op ons pad komt of kan komen. Daarnaast zijn vele praktische zaken belangrijk in de voorbereiding. Onze paklijst is minutieus samengesteld. Wat nemen we zoal mee: contant geld (er is geen pinautomaat); GPS; hadex om water te desinfecteren; allerlei kleine materialen, zoals kaars, touw, kompas, elastiek, powertape; licht/oplader op zonnecollectoren; zak- en hoofdlampen; waterflessen; muskietennet; medicijnen die nodig zijn of van pas kunnen komen en niet te vergeten: desinfecterende zeep.
Alle voorbereidingen ten spijt, de ervaring heeft ook geleerd dat het ter plekke aankomt op het hebben van de tegenwoordigheid van geest; scherp blijven, wat er ook gebeurt...
woensdag 24 december 2014
Ebola in Congo
De ziekte wordt veroorzaakt door een virus (filovirus). Vleermuizen zijn de meest waarschijnlijke bron voor filovirussen. De virussen zijn aangetroffen in verschillende vleermuissoorten die in Afrika leven. Zij verspreiden het virus onder meer via hun ontlasting. Verschillende dieren in het Afrikaanse tropische regenwoud kunnen met het virus worden besmet, zoals chimpansees, gorilla’s en antilopen. Als mensen deze dieren slachten en eten, kunnen zij het virus ook krijgen.
De WHO meldt op 21 november 2014 dat Congo officieel Ebola-vrij is. De ziekte dook op 11 augustus 2014 op in de streek van Boende, een stad in de Evenaarsprovincie, 800 kilometer ten noordoosten van Kinshasa. De epidemie zou los staan van de epidemie in Guinee, Sierra-Leone en Liberia. Officieel zijn in Congo 40 slachtoffers gevallen. Over het exacte aantal zal nooit duidelijkheid komen. In het oerwoud sterven mensen zonder dat een arts in de buurt is.
Ik probeer me voor te stellen hoe de angst voor deze ongrijpbare ziekte het dagelijks leven moet beheersen. Van André begrijp ik dat de kinderen uit angst voor Ebola niet naar school gaan. Daar waar de ziekte zich manifesteert mogen mannen en vrouwen elkaar niet aanraken; kinderen mogen niet worden getroost etc. Al maanden lang. Het moet verschrikkelijk zijn.
Ik wilde eind dit jaar heel graag naar Congo reizen en had dat ook gedaan, ondanks Ebola. Ik vond dat ik het verantwoord kon doen, wetende dat ik ook op andere reizen Ebola had kunnen krijgen. Wellicht naïef. Wat me tegenhield was de volgende opmerking: 'Ik heb er vertrouwen in dat jij geen Ebola krijgt, maar wat wanneer je terug komt, durf ik je dan nog wel een hand te geven?'
Stel je voor! Ja, probeer je voor te stellen wat dat in West-Afrika betekent!
woensdag 2 januari 2013
Doodvonnis: mazelen
Op 1 januari kreeg ik een e-mail van André. Hij schreef dat hij een trieste mededeling had gekregen: 300 kinderen in het gebied waar Bondeko een kleuterschool aan het bouwen is (Mombongo), zijn gestorven aan mazelen. Een kinderziekte waar in Nederland alle kinderen tegen gevaccineerd worden, de zogenaamde BMR prik. 6 van de 300 kinderen zaten op 'onze' kleuterschool, net 3 jaar oud.
De sterfte door mazelen daalt met 50% wanneer deze zieke kinderen extra vitamine A krijgen toegediend.Hoe simpel, maar ook hoe moeilijk te realiseren kan het zijn, in dit land zonder infrastructuur en met geweld dat voortdurend op de loer ligt...



