zaterdag 31 december 2011

Oudejaarsdag 2010


Vandaag precies een jaar geleden, 31 december 2010, reisden we vanuit het pygmeeënkamp Melanga naar Yamondombe. Te voet door het oerwoud, samen met een aantal dragers voor onze bagage. Daarna kon ik met een deel van de bagage bij A. achter op de motor. Het gebrek aan begaanbare paden (om over wegen maar helemaal te zwijgen) en vervoermiddelen maken een simpele verplaatsing een waar avontuur. Het hoort bij het dagelijks leven en er worden door mannen, vrouwen en kinderen te voet enorme afstanden overbrugd in Congo, schijnbaar zonder enige moeite… 

De veiligheidsdienst liet ons geen seconde uit het oog bij de pygmeeën in Melanga. Ze wilden dat we nog verder zouden reizen naar een ander kamp. Toen wij besloten dat we die tocht niet zouden maken en wilden terug reizen, staken ze daar een stokje voor. De dag ervoor waren we ‘s middags extra vroeg begonnen met het slachten van de kip voor ons avondmaal. Het bereiden van kip op het houtvuurtje kost minimaal 3 uur en A. had tijd nodig voor een urenlang gesprek met de veiligheidsdienst over dragers en … geld, uiteindelijk is dat waar het om gaat. Het gesprek had de padstelling  echter niet opgelost. A. was niet te vermurwen: we betalen niet zomaar, alleen wanneer er iets voor gedaan wordt.  Ik ben het hiermee eens, maar denk dat ik me zonder A. (menig keer) hier niet aan gehouden zou hebben. Ik probeerde het gedrag van de veiligheidsdienst en de pygmeeën “te lezen”, maar kon er geen chocolade van bakken.  Ik vroeg aan A. hoe hij het zag: “They are planning something…”. Okke merkte op dat hij zich zorgen maakte over hoe de groep zou reageren wanneer ze zouden weten dat we niet naar het andere kamp zouden reizen. Al met al geen geruststellende gedachtes... 

Okke heeft samen met François nog zo’n 9 km extra gelopen en het was bijna donker toen hij in Yamondombe arriveerde. Ze hadden speciaal voor ons een “badkamer” gebouwd. Jammer genoeg hadden de muggen ook vrij spel toen we er samen gebruik van maakten. Om 22.00 uur hoorden we de tamtam, die aan iedereen die het kon horen bekend maakte dat we waren aangekomen. Een warm welkom! In het gebied Mombesa is dit dorp de enige plek waar de tamtam nog wordt gebruikt. Het is een taak van één familie en de rol wordt overgedragen van vader op zoon. Om 00.00 uur was er geen vuurwerk, geen oliebollen en champagne. We stonden op de evenaar onder een heldere sterrenhemel, met op de achtergrond gesjirp uit het oerwoud, rust en warmte. We luidden 2011 in met een liefdevol gesprek aan de tafel in de hut.

zondag 23 oktober 2011

Matabisch


Afgelopen week zag ik min of meer toevallig een Tv-programma over Rusland. De verslaggever interviewde in Rusland een Nederlandse caféhouder over corruptie. In het gesprek werd Congo genoemd (DRC) als het land dat nog corrupter is dan Rusland. Van de 178 landen staat Congo in 2010 op plaats 164 in de Corruption Perceptions Index (CPI). CPI indicator komt tot stand door het combineren van diverse bronnen en informatie en meet de perceptie van corruptie in zowel de publieke als private sector (http://www.transparency.org). Ter vergelijking: Rusland staat op plaats 154; Nederland op plaats 7. De CPI voor Congo schommelt de afgelopen jaren rond de 1,9. Er lijkt op dit vlak in Congo niets verbeterd te zijn.
Toen ik in 1999 voor het eerst voet zette op Congolese  bodem was het land nog in oorlog. Soldaten uit Congo, Rwanda, Oeganda en rebellengroepen, waaronder de Mai Mai, maakten het land onveilig. In 1997 was Mobutu na tientallen jaren het land te hebben leeggeroofd eindelijk verdreven. De bevolking had zwaar te lijden gehad onder zijn regime. Door een jaarlijkse inflatie van meer dan 300% was één keer per dag eten een luxe geworden. De overheid betaalde geen of onregelmatig salaris aan soldaten, leraren en artsen. Corruptie tiert welig in een land waar de overgrote meerderheid van de bevolking denkt niets meer te kunnen verliezen en een handvol zich buitensporig verrijkt. We kwamen in 1999, 2005 en 2008 in Congo niet verder dan de luchthaven Kisangani, zonder dat ambtenaren ons in het immigratiekantoor (of wat daarvoor door moest gaan) geld hadden proberen af te troggelen. Als bijen die op de honing afkomen: immigratiedienst, controleurs van de controleurs, soldaten en familie van de vrienden van…. etc. Een ieder vond dat hij wat voor ons had gedaan en daar een beloning (matabisch) voor moest krijgen. Ik heb ervaren dat het beter gaat met de corruptie in Congo. In 2009 en 2010 lukte het ons zonder matabisch te betalen het land binnen te komen en weer naar huis te mogen.  De ambtenaren worden nu wel betaald en overheidsdienaren kunnen niet meer ongestraft in het openbaar geld aannemen.  In elk geval niet op een plek waar zo velen passeren. De matabisch  is echter diep geworteld in de hele samenleving. In het oerwoud (Mombesa)  lijkt weinig veranderd.
Uit mijn dagboek (7 januari 2011): “De generator bromt al een tijdje. We zijn vandaag “thuis” gekomen in Bondamba. Over de 37 km hier naar toe hebben we 2,5 uur gedaan. Het eerste oponthoud ontstond toen we een riviertje over moesten steken. De rivier is de grens tussen de ene en de andere clan.  Een zevental jongens van een jaar of 16 had met bamboe een brug afgesloten. We stonden al op de brug  en konden alleen maar achteruit de gammele brug weer af. Het was verre van plezierig . André werd gesommeerd te betalen, anders mochten we het gebied niet verlaten.  Hij zei: “Al moeten we hier blijven slapen, ik betaal niet! Je moet je schamen. Onze bezoekers helpen jullie met de bouw van jullie alfabetiseringscentrum!” Op dat moment kwam Antoine aanlopen. Hij heeft in de clan een belangrijke positie en het lukte hem de jongens te overreden. Ik weet niet wat dat heeft gekost…  Janot en François, onze helpers, waren voor ons vertrokken en hadden al moeten betalen, want ze hadden op hun fiets “bagage van de witten”.
Ik begrijp het, maar voel ook onmacht, intense triestheid en soms ook boosheid in dergelijke situaties. Er moet nog zoveel werk verzet worden, voordat minimaal de meerderheid van de bevolking een perspectief ziet en dit kan en wil waarmaken. Daar kunnen wij bij helpen.   

zondag 24 juli 2011

Eten wat de pot schaft

Het is de herinnering aan een mix van de geur van rottend blad, zweet, mensen en houtskoolvuurtjes met pruttelende kookpotten die me doet terug verlangen naar het oerwoud. Mijn zintuigen lijken daar extra actief en te worden geprikkeld. Het leven is van de franje ontdaan en slechts aardse realiteit resteert. Mijn buik vullen, slapen, plassen en poepen en af en toe een plens water om me mee op te frissen, zijn mijn basale behoeften. Ik pas ze, vanaf het moment dat ik in Kisangani uit het vliegtuig stap, vanzelfsprekend aan de omstandigheden aan. Mijn lijf lijkt na een dag of twee begrepen te hebben dat er een ander regime heerst. Het lege gevoel in mijn maag is verdwenen en het credo is: eten als er wat te eten is. Hoe vroeg of laat op de dag het ook is en wat de pot ook schaft. 

In de stad Kisangani is er wel iets dat lijkt op een bakker en een slager. Het is voor weinigen weg gelegd om daar gebruik van te kunnen maken en buiten de stad is sowieso een ieder zelfvoorzienend. In het oerwoud zijn de vrouwen ongeveer de hele dag bezig met het één maal daags eten (voor) te bereiden. Nee, ik overdrijf niet. De pannen moeten worden gewassen bij de bron. Er moet water worden gehaald, hout gesprokkeld en het duurt echt wel een uur voordat het vuur op de juiste temperatuur is en de pan er op kan. Daar waar een familie in meerdere hutten bij elkaar woont wordt samen gekookt onder een afdak. Het vuur wordt de hele dag aangehouden en doorgegeven wanneer er een nieuw vuur gemaakt wordt. De rol van de mannen is zeer beperkt. De Bantoemannen maken de velden klaar en de pygmeeënmannen gaan op jacht. De vrouwen oogsten en bewerken het voedsel totdat het eetbaar is. Bij maniok die van nature giftig is duurt dat proces dagen (zie “De kracht van vrouwen”). Op de lokale markt wordt hetgeen voor eigen gebruik te veel is verkocht en wat geld bij elkaar gesprokkeld om levensmiddelen te kopen. De pygmeeën ruilen hun jachtbuit voor de opbrengst van het veldje van de Bantoe dorpsbewoner. Pygmeeën zijn vaak dagenlang op jacht om één aap te schieten en die moeten ze dan ruilen voor een schijntje. Ze weten dat ze worden bedonderd, maar hebben geen keuze.

Een grote groep mensen eet één keer per dag, als er eten is en elke dag hetzelfde: maniok. Naarmate de omstandigheden iets beter zijn is er meer variatie in het voedingspatroon. Jan (Lokutu) en André (Bondamba), beiden bekend met de Europese keuken, hebben rond hun missiepost een groentetuin aangelegd met bijvoorbeeld  wortelen en uien. Vooral om de dorpsbewoners te laten zien en leren dat het voedingspatroon gevarieerder kan zijn. In het oerwoud rond Bondamba worden regelmatig kinderen aangetroffen met kwashiorkor. Het eiwit tekort leidt tot gezwollen buikjes en rossige haren. Maniok zit vol koolhydraten. De wortel van de maniok wordt verwerkt tot bijvoorbeeld chikwanga en de bladeren tot pondu. Rijst en maïs horen ook tot het voedingspatroon van degenen die het iets beter hebben. Aan de Congorivier wordt dit aangevuld met vis (die steeds schaarser wordt). Er zijn diverse  soorten bananen die ze meestal bakken. Rond iedere hut in de dorpen vind je een paar kippen of eenden. Geiten en varkens zijn aanzienlijk schaarser. De geiten dienen vooral als spaarrekening en bruidsschat. “Luxe” etenswaren zijn: schildpad, wilde spinazie, kaaiman, gerookte aap, antilope, gordeldier, gerookte vleermuis, rupsen en slang. Zout hoort daar ook bij. De mens heeft per dag minimaal 2 gram zout nodig. In ons voedsel is te veel zout verwerkt, voor de oerwoudbewoners is het van levensbelang om het toe te voegen, maar onbetaalbaar. We nemen op onze reizen altijd een baal mee die we dan verdelen onder de pygmeeën. 

De context waarin we opereren maakt dat we op onze qui-vive moeten zijn voor vergiftiging door een of andere onverlaat. We koken altijd zelf en zijn daar uren per dag mee bezig: vuur maken, slachten, koken, bakken. We krijgen iedere dag wel een kip, eieren, schildpad, bananen of ananas. Ook daar waar niets te geven is, geven de oerwoudbewoners het laatste weg. Het heeft me vaak doen twijfelen of ik het zou aannemen…. In januari 2011 kwamen ze ons vanuit Yaolema, 30 kilometer verderop, een grote vis brengen. Ondanks de omstandigheden kunnen we ons tijdens de reizen door het oerwoud een eetpatroon permitteren waar de gemiddelde oerwoudbewoner alleen maar van kan dromen. “Eten wat de pot schaft” is in onze positie zeer betrekkelijk. Wij hebben een keuze, zij niet. Ze zijn iedere dag bezig met in leven blijven: overleven.

maandag 13 juni 2011

De Congorivier

Om de Mombesa ten westen van Kisangani te bereiken moeten we ongeveer 350 km over de Congorivier. De prauw, een uitgeholde boomstam die wordt aangedreven door een 35 pk buitenboordmotor, is dan ons vervoermiddel. We zijn in de verre omtrek de enigen die gebruik kunnen maken van mechanische aandrijving. Minimaal drie dagen duurt deze tocht. Voor de bevolking is de peddel het enige hulpmiddel en zij zijn minimaal twee weken onderweg om deze afstand te overbruggen.
4 juli 1999, op de Congorivier tussen Isangi en Lokutu: “Het was verschrikkelijk onderweg, Een enorme onweersbui en hagel en regen die met bakken uit de lucht viel. De prauw liep razendsnel vol water. We hadden niet echt iets om mee te hozen, behalve een klein tomatenpureeblikje. Het is zo’n blikje dat de vrouwen als maatschepje gebruiken wanneer ze geroosterde pinda’s verkopen. Ik kon er net voor zorgen dat de prauw niet helemaal vol liep. Jan had maar één zorg: de motor moest blijven lopen. Als de bougie maar niet nat werd… Wanneer de buitenboordmotor zou afslaan werden we een makkelijke prooi voor de golven die alsmaar hoger werden.”
De Congorivier is ruim 4700 km lang en is op de Nijl na de langste en waterrijkste rivier van Afrika. De breedte is maximaal 23 km. Het is een enorme watervlakte vol grote beboste eilanden. De waterstand is wisselend en afhankelijk van de regenval elders. Meermaals zijn we met een prauw vastgelopen op een zandbank. Dan was het wachten op vissers uit de buurt om ons vlot te trekken. De eerste keer probeerde ik het nog zelf en ritste ik m’n pijpen van m’n  broek en liet me overboord zakken. Maar een vastgelopen zwaar beladen prauw vlot trekken is geen sinecure.

Vanuit de dorpen aan de rivier vissen kinderen en mannen ’s morgens al heel vroeg in hun deel van de Congorivier. Later op de dag liggen de netten op bamboestokken op de oever te drogen. Er is ook veel doorgaand “verkeer”. De enige mogelijkheid om goederen van de ene naar de andere plaats te vervoeren is transport over de Congorivier. Hele gezinnen verblijven in de prauwen van wel 15 meter lang, samen met kippen, varkens, gedroogde vis, maniok, en palmvruchten.  Ze blijven met hun prauwen meestal dicht bij de oever. Ze maken vaart door de peddel op de bodem van de rivier te zetten en dan van de voor- naar de achterkant van de prauw te lopen. Wanneer we ze willen gaan passeren klinkt vaak een angstige roep: rustig varen! De prauwen liggen vaak tot aan de rand toe in het water. Wanneer we een prauw naderen gaat de gashendel ongeveer dicht. De golfslag die onze prauw veroorzaakt kan voldoende zijn om een andere prauw te laten omslaan, met de meest vreselijke gevolgen.
Overal waar mensen zijn worden handeltjes opgezet. Meestal wordt er voedsel aangeboden, onbereid of direct eetbaar. Deegballetjes in olie gebakken, gedroogde vis en chikwanga (gepureerde en gekookte maniok in bladeren). Moeders zijn samen met hun kinderen de hele dag in de weer rond hun  kookpotje aan het water. Andere spullen zijn gezien het gebrek aan logistieke mogelijkheden vaak niet voorhanden. Behalve op plekken waar markten zijn ontstaan en handelaren vanuit Bumba en Kisangani spullen aanbieden: matrassen en veel spullen van plastic (stoelen,  teilen). Dan zou ik willen roepen: die westerse troep moet je niet willen. Gebruik de houten krukjes en stoelen die jullie zelf eeuwenlang op ingenieuze wijze hebben gemaakt! Houd jullie tradities in ere. Wie ben ik om dat alleen al maar te denken…